NIEUWS – Leenstelsel leidt tot tweedeling in de maatschappij – ScienceGuide

Ik schreef een stuk voor ScienceGuide over de sociale gevolgen van de studiefinanciering gebaseerd op het leenstelsel.

Sinds de invoering van het leenstelsel in 2015 is het sociale doel van de studiefinanciering steeds verder op de achtergrond geraakt. De invoering van het stelsel brak ooit de wereld van het hoger onderwijs open waardoor iedereen die de capaciteiten had voor een studie, ook de mogelijkheid te geven om te studeren. Nu zijn de schulden die de studiefinanciering veroorzaakt steeds meer een extra belasting op armoede die de kans op opwaartse sociale mobiliteit beperkt.
Een rapport van het Nibud van afgelopen november kwam tot de verontrustende conclusie dat studenten gemiddeld steeds meer lenen. Kranten schreven over leenwoede onder studenten om zo op (te) grote voet te leven. De voorzitter van de AFM, Merel van Vroonhoven zegt zelfs dat er studenten zijn die lenen om in Bitcoins te beleggen .

De suggestie lijkt dat studenten het eigenlijk zo breed hebben, dat ze van gekkigheid niet weten wat ze moeten doen met het geld van al die publiek gefinancierde leningen. Een andere verklaring lijkt net zo logisch: de resultaten uit het Nibud rapport laten zich anders lezen wanneer men in ogenschouw neemt dat de studenten voor wie de studiebeurs het hardst nodig is, zich steeds minder inschrijven voor het hoger onderwijs. Al veel eerder bleek namelijk dat de invoering van het leenstelsel vooral negatieve gevolgen had voor de instroom van studenten uit kwetsbare groepen en voor de doorstroom van mbo’ers naar het hoger onderwijs. Dit zijn bij uitstek de groepen voor wie de financiering van een studie een uitdaging is en die in mindere mate kunnen rekenen op een bijdrage van de ouders.

Lenen is niet toereikend

Zelfs het hoogste leenbedrag is nauwelijks toereikend om in de grote studentensteden te wonen, te studeren en te leven. Studenten die fors gesteund worden door hun ouders, hebben hier minder last van. Voor hen is de DUO lening gedeeltelijk een extraatje. Deze jongeren hebben waarschijnlijk al minder leenvrees omdat zij opgroeien met het idee dat ze later dezelfde mate van financiële zekerheid zullen verwerven als hun ouders. Een schuld van 50.000 euro lijkt minder significant wanneer het bijvoorbeeld normaal is dat er thuis wel eens een auto voor een dergelijk bedrag gekocht wordt. Dit is ook een groep voor wie de kapitaaloverdracht steeds vroeger begint: veel ouders zien zich door de kamernood genoodzaakt om een koophuis te financieren voor hun kind; wat door de lage rente, de snel stijgende prijzen en een royale fiscale schenkingsregeling, ook nog eens een aantrekkelijke belegging is.

De wereld voor de student zonder ouders die kunnen of willen bijdragen aan de studie van hun kinderen ziet er heel anders uit. Met de invoering van het leenstelsel in 2015 is ook de terugbetalingstermijn uitgebreid. Een student mag de lening nu in 35 jaar terugbetalen, in plaats van in 15 jaar. Voor een student die de studie helemaal zelf financiert en met 25 jaar begint met terugbetalen, wil dat zeggen dat men met een bescheiden salaris bijna het hele werkzame leven terugbetaalt. Ook leent men meer doordat de gehele financiering nu een lening is geworden en de OV kaart nu ook moet worden afbetaald. Wie na de studie aan de slag wil als leraar of verpleegkundige zal ieder jaar weer worden geconfronteerd met een weging van het inkomen door de overheid waarbij een eventuele salarisverhoging dan keurig afgeroomd wordt door een verhoogde afbetaling.

Bovendien is het verkrijgen van een hypotheek door voor deze groep een stuk lastiger geworden aangezien de studieschuld inmiddels gewoon als schuld wordt aangemerkt door de bank. Zonder eigen huis is het door de kunstmatig laag gehouden rentes nauwelijks nog mogelijk om kapitaal op te bouwen. Sparen kost nu alleen nog maar geld. Tegelijkertijd zijn de woonlasten enorm gestegen en maken alleen de laagste inkomens nog kans op een sociale huurwoning waardoor het terugbetalen aan DUO voor veel gezinnen aanzienlijk drukt op het inkomen.

Daar komt nog bij dat zodra men fiscaal partner wordt, bijvoorbeeld door het krijgen van een kind, men ook mede verantwoordelijk is voor de studieschuld van de partner. Gaat de een meer en de ander minder werken, dan wordt alleen de betaalsleutel anders, de bedragen blijven gelijk. Ook als een van de twee de kans heeft om de schuld ineens af te lossen, bijvoorbeeld doordat men een bedrag erft, dan betaalt zij/hij voortaan meer mee aan de schuld van de partner. Het is daarmee niet onvoorstelbaar dat zich daardoor situaties kunnen voordoen waarbij de studieschuld belangrijke levensbeslissingen zoals samenwonen of kinderen krijgen direct beïnvloedt.

DUO als databoer

De data die DUO beheert, is bovendien zeer privacygevoelig. Vaak heeft men niet alleen jarenlange inkomensdata van de schuldenaar, maar ook van diens familie en partner. In een interview op Scienceguide bejubelde de directeur het nieuwe computersysteem van DUO. Ze zijn nu een “knooppunt van onderwijsdata” en “een heuse ICT-organisatie geworden”. Dat men opschept over de mogelijkheden van nieuwe datatechnologie, is reden tot zorg.

Eerder bleek al dat DUO er niet voor terugschrok om reisdata bij Translink op te vragen onder het mom van fraudebestrijding. Hoewel de organisatie zelf stelt “dat ze niet meer in zo’n grijs gebied terecht willen komen“, is het onduidelijk waar precies de grenzen liggen. De organisatie beheert immers zelf zoveel gevoelige data, dat analyse en koppeling van de reeds beschikbare data al vergaande gevolgen kan hebben. Het risico is dat de burger die aangewezen is op DUO te maken krijgt met een schuldeiser die preventief uw gangen nagaat. De studieschuld wordt daarmee steeds meer een vorm van curatelestelling.

Studielening leidt tot tweedeling

Studiefinanciering was ooit bedoeld om kansengelijkheid te bevorderen. De financiële situatie van de ouders moest geen belemmering zijn voor een kind om te kunnen studeren. Inmiddels grijpt het systeem intensief en langdurig in in het leven van juist de groepen die deze financiering het hardst nodig hebben. De aankomende student die niet in staat is om van huis uit geld mee te brengen, wordt voor een keuze gesteld die enorm ingrijpende gevolgen kan hebben voor het hele werkzame leven. Vooral voor jongeren die het als kind thuis niet ruim hadden, is het vooruitzicht op een hoge schuld een extra druk waarvan juist zij de consequenties maar moeilijk kunnen inschatten.

Terwijl ‘rijke’ studenten de studiefinanciering schijnen te zien als een goedkope lening die men aantrekkelijk elders kan investeren, staat de toegang tot het hoger onderwijs voor kwetsbare groepen door het huidige stelsel ernstig onder druk. De regering zou er daarom wellicht goed aan doen om nog eens te evalueren of het huidige stelsel van studiefinanciering niet een extra drempel opwerpt voor de groep voor wie de financiering bij uitstek bedoeld is; vooral in een tijd waarin het volgen van hoger onderwijs steeds meer wordt gezien als een startkwalificatie voor een kansrijke carrière.

NIEUWS – Crowdfunding Cello Girls – met Emily Kocken – STEUN ONS!

Sinds enige tijd werken beeldend kunstenaar, schrijfster en muzikante Emily Kocken en ik regelmatig samen. Zie bijvoorbeeld de boektrailer voor haar laatste roman De kuur. De roman kan ik u van harte aanbevelen.

We willen nu een lp gaan maken met elektronische bewerkingen van klassieke cellostukken gespeeld door Emily. We zijn hierbij geïnspireerd door Charlotte Moorman, de celliste en kunstenaar die betrokken was bij Fluxus samenwerkte met Joseph Beuys, John Cage en vooral met Nam June Paik.

Steun ons door een bijdrage te doen via de crowdfundingpagina.

NEWS – Opening New Histories, Bendigo Art Gallery

On April 14 2018 the filminstallation Attending to Agnes will open at the Bendigo Art Gallery in Bendigo Australia as part of the exhibition New Histories. It is made by the wonderful artists Pilar Mata Dupont, Seecum Cheung, Maike Hemmers, Isabelle Sully, and Flora Woudstra.

I did the audiomix for this installation.

The film is a monument to the Australian portrait artist Agnes Goodsir. While born in Australia, she was part of the vibrant art scene of Paris in the 1920s.

NIEUWS: Point of No Return in Huis de Pinto (updated)


Op 29 maart verzorgt schrijfster, kunstenaar en muzikant Emily Kocken een optimistische avond vol literatuur, performance en muziek in huis de Pinto. Details over de avond vindt u hier.  Ik maak op deze avond een opname in  samenwerking met Emily in het kader van het project ‘Carried by Charlotte’ dat later dit jaar gepresenteerd zal worden tijdens een tentoonstelling in Gallery C&H.

Het project is geïnspireerd op de bijzondere kunstenaar Charlotte Moorman. Deze celliste maakte deel uit van de Fluxusbeweging en was in de jaren ’60 onderdeel en organisator van de legendarische ‘happenings’.

Vergeet niet om tijdig te reserveren.

NEWS – spring 2018 is coming – work in progress

A quick update on some of the current projects.

Inspired by Charlotte
Together with wonderful writer/artist Emily Kocken I am working on a performance project that is inspired by great avant-garde performer Charlotte Moorman. Moorman was a consequential cellist and part of the FLUXUS movement and performed works by Nam June Paik and John Cage among others.
There will be an evening with performances connected to this project at 29 March at Huis de Pinto. The date for the gallery performance and exhibition are TBA.

Emily is also organising an evening of performances this month at Huis de Pinto this month. Seating is limited and it promises to be a very interesting evening. Reserve while you can.

New Histories/Agnes Goodsir
For Australian artist Pilar Mata Dupont I am mixing the audio for a museum installation that will be shown as part of the exhibition ‘New Histories’ that will run from the 14 April-29 July  in Bendigo Art Gallery in Australia. The installation is inspired by the 19th century portraitist Agnes Goodsir. She was part of the Parisian art-scene in the twenties.

Commercial work
I am still doing quite some commercial composing and mixing for different advertising agencies. I am also (finally) working on a new commercial showreel.

Art consulting
For different museums and clients I am working as an art consulting philosopher and writer. Usually I am asked for input on theoretical frameworks for exhibitions or collection choices.

Music projects
I am involved in a couple of music projects as a mixer/producer. With FESS we are working on a new single release. Dates and more info are TBA.

Philosophy
This semester I will be teaching philosophy/aesthetics at the AKI Academy of Arts again . This is still one of my favourite things to do.

NIEUWS – opening Silent Majority – Tetem Enschede

30 november opent de tentoonstelling Silent Majority in Tetem in Enschede waar ik als curator en schrijver bij betrokken ben.

Deelnemende kunstenaars:
Anne-Marie Meertens, Domenique Himmelsbach de Vries, Gunter Gruben en Viktoria Gudnadottir.

In samenwerking met Trendbureau Overijssel

Over de tentoonstelling:

De meeste mensen hoor je niet. In de media zijn degenen die hun stem verheffen vaak het best vertegenwoordigd, waardoor we het makkelijkst verstaan wat eenvoudig te roepen is. In Nederland lijkt het poldermodel van overleg en consensus de laatste jaren steeds meer naar de achtergrond te verdwijnen ten gunste van de nadruk op verschillen en standpunten aan de uiterste zijden van het spectrum.

Aan de stille meerderheid werd eind jaren zestig gerefereerd door Nixon om zijn Vietnamoorlog te rechtvaardigen: er waren weliswaar talrijke protesten, maar de meeste mensen deden hier niet aan mee en waren daarom vóór die oorlog, zo redeneerde hij. Ook in Nederland wordt een dergelijke redenering vaak van stal gehaald. ‘Henk en Ingrid’, ‘de hardwerkende Nederlander’ of simpelweg ‘de mensen’ zijn metaforen voor een groep van wie de politicus van dienst graag steun veronderstelt, maar de afbakening van deze groep gebeurt vaak alleen in negatieve zin: om een contrast te schetsen met de buitenstaander van wie men afstand neemt. Wie zijn deze mensen? Treffen we hier dé Nederlander aan van wie Koningin Maxima tot ergernis van velen ooit het bestaan ontkende? Zijn zij gehuld in gematigdheid en calvinisme, gedreven door werklust, zuinigheid en gemeenschapszin? Of kenmerken zij zich door diversiteit en een gebrek aan gedeelde waarden en zorgen?

De kunstenaars die deelnemen aan Silent Majority zoeken naar sporen van een groep waarvan verbeelding ook het probleem van definitie blootlegt: het gematigde midden krijgt gemakkelijk vorm in statistieken en analyses van beleidsmakers, maar deze vanzelfsprekende samenhang lijkt bij nadere beschouwing vaak weer te verdwijnen. Wat kenmerkt deze groep behalve hun onzichtbaarheid?

Gebrek aan productieve kunstkritiek – iedereen is recensent

 

Jeroen Vullings maakt zich kwaad over de boekenrubriek in De Wereld Draait Door (De Willekeur Draait door, Vrij Nederland 27 oktober 2017). In die rubriek zitten vier boekhandelaren aan tafel die een boek aanprijzen als ‘boek van de maand’. Natuurlijk heeft hij gelijk wanneer hij de autoriteit en de literaire deskundigheid ter discussie stelt: het zou opmerkelijk zijn als alle aanwezige boekverkopers ook nog eens de bagage hadden van een literair criticus zoals Vullings die beschrijft: ‘een onzeglijke figuur die je leert kennen door zijn beargumenteerde admiratie én verwerping van bepaalde literatuur’.

Anderzijds kan men zich afvragen of het zelfportret dat Vullings van de echte criticus schetst niet onderdeel is van het probleem. De beargumenteerde admiratie en verwerping vindt tegenwoordig voor het overgrote deel plaats door een waardering in de vorm van ballen, sterren of andere manieren van rangschikking. De argumentatie voor die waardering is noodgedwongen door de jaren heen steeds een stukje korter geworden: recensies in kranten zijn vaak beperkt tot een paar alinea’s en DWDD is een van de weinige programma’s die enige zendtijd aan literaire boeken besteedt. Hoewel het werk van Vullings hier nog vaak een positieve uitzondering is omdat men in Vrij Nederland relatief veel ruimte inruimt voor literaire recensies, is het de vraag of hij de literaire kritiek een dienst bewijst met het beeld van de recensent als elitaire voorproever.

Iedereen is tegenwoordig namelijk recensent. Je kunt geen pizza meer bestellen of je krijgt later een uitgebreide enquete over de ervaring met de koerier, de temperatuur bij aankomst en prijs/kwaliteit verhouding. Smaak lijkt grotendeels gedemocratiseerd, ook al getuige de vele verkiezingen, van boek van het jaar tot Nederlander van de eeuw. Het is de vraag of het smaakoordeel van een professionele lezer meer invloed heeft, dan de uitroep van een willekeurig iemand aan tafel bij Van Nieuwkerk. Commercieel gezien lijkt het de door DWDD ongenuanceerd aangeprezen boeken in ieder geval geen windeieren te leggen. Het platform lijkt leidend.

Het is bovendien te makkelijk om de schuld hiervan geheel bij De Wereld Draait Door neer te leggen. De formule van het programma nodigt uit tot een oppervlakkige beschouwing van wat er dan ook ter tafel komt. Al jarenlang wordt menig kunstenaar, muzikant, schrijver of theatermaker verscheurt door het dilemma om zijn of haar ziel te verkopen ten gunste van de eigen bestaanszekerheid of druk van de uitgever. De Wereld Draait Door grossiert in lege superlatieven voor wat er dan ook ter tafel verschijnt en een uitnodiging voor het programma lijkt dan ook veel meer te maken te hebben met het vermogen van de maker om grappig en ad rem te kunnen reageren, dan met de kwaliteit van het gebodene. Dat Vullings zich hieraan ergert is logisch, maar om het gebrek aan nuance en deskundigheid te betreuren, lijkt niet zo zinvol.

Het oordeel van de recensent lijkt buiten de niche van fanatieke en geïnformeerde lezers nauwelijks meer een hogere status te genieten dan de advies dat de Consumentenbond geeft over de aanschaf van een bepaald strijkijzer; het functioneert vaak nog slechts als aankoopadvies.

Het is ontzettend jammer dat de kunstkritiek in bredere zin zich dat niet meer aantrekt en in opstand komt tegen hun rol als marktkoopman. Ik zou dan ook willen pleiten voor een kritiek die zich richt op het engagement met het besproken werk. Hiermee moet ik bijvoorbeeld denken aan de stukken over film van Pauline Kael, de recensent van de New York Times tot begin jaren negentig. Ook zij sprak vaak ‘beargumenteerde admiratie’ of ‘verwerping’ uit, maar dit was niet de essentie van haar werk. Kaels werk ging over kijken in bredere zin. Vaak was een film een aanleiding om het over een bepaald thema te hebben of over bepaalde technieken. Haar smaakoordeel was onderdeel van een veel bredere opvatting over wat film zou kunnen zijn, waardoor haar beste stukken soms gingen over de films die ze het minst waardeerde. Daardoor was het bekijken van de films waar ze over schreef ook niet noodzakelijk.

De enige redding voor de deskundigheid van de kritiek is dan ook om zich te richten op stukken die zelf productief zijn; waar de tekst niet alleen een argumentatie voor het eindoordeel (‘4 uit 5 ballen) is, maar vooral de ambitie heeft om de toeschouwer of lezer iets te laten zien waar hij/zij zonder de enorme deskundigheid van de recensent nog nooit aan gedacht had. De lezer komt daardoor tot inzichten die hij/zij meeneemt bij de ervaring met een volgend werk. Recensenten hebben door hun ruime referentiekader toegang tot een wereld waarin zij bijzondere verbanden kunnen leggen binnen de kunsten die een leek ontgaan. De enige manier om weerstand te bieden aan een wereld waarin kunst slechts entertainment is, is het schrijven van ambitieuze stukken die een nieuwe wereld openen met de recensent als gids.

Gekunstelde verontwaardiging

 

 

Beatrix Ruf, de directeur van het Stedelijk Museum, is gisteren opgestapt ‘in het belang van het museum’ na ophef over haar nevenactiviteiten na publicaties in NRC Handelsblad. In de media schreeuwt men moord en brand: het liefst had men deze zakkenvuller een trap na gegeven. Dat men zo geschrokken is van haar zakelijke belangen is opmerkelijk gezien het feit dat deze uitgebreid zijn belicht bij haar benoeming. Naar aanleiding van deze discussie plaatste Christiaan Braun in 2014 paginagrote advertenties in Het Parool, NRC Handelsblad en in de Volkskrant waarin hij protesteerde tegen de mogelijke belangenverstrengeling die door de benoeming van Ruf zou kunnen ontstaan.

Dergelijke problematiek is al veel langer inherent verbonden aan de hedendaagse kunstwereld. De verhouding tussen de windhandel op de internationale kunstmarkt en de essentiële rol die publiek gefinancierde musea spelen bij de waardevergaring van hedendaagse kunst is velen al jaren een doorn in het oog. Probleem is alleen dat het voor musea enorm lastig is om stelling te nemen tegen de invloed van grote handelaars, veilinghuizen en beurzen omdat het maken van grote tentoonstellingen en verwerven van nieuwe objecten onderdeel uitmaken van een ingewikkeld diplomatiek spel. Een goede beheersing van dit spel is essentieel om de reputatie van een museum te kunnen opbouwen en handhaven. Om een directeur te benoemen zonder commercieel netwerk zou een gewaagde beslissing zijn.

Daar komt nog eens bij dat de overheid de musea steeds meer dwingt tot het aantrekken van private financiering. Interessant daarbij is dat die overheid net doet alsof die financiering tot stand komt door het warme gevoel dat hedendaagse kunst losmaakt bij de mecenassen en geen onderdeel uitmaakt van een transactie waarbij de geldschieter een zakelijk belang nastreeft.

Mijn indruk was destijds dat Amsterdam koste wat het kost een directeur wilde binnenhalen die de reputatie had om relevante actuele tentoonstellingen te maken zonder dat het de historische collectie zou schaden. Het lijkt logisch dat men zoekt naar een bestuurder die een innig contact heeft met de markt en de kunstkritiek om te zorgen dat de steun voor jonge kunstenaars geen enorme risicofactor zou worden voor het museum. Ruf is invloedrijk, heeft nauw contact met handelaars en verzamelaars en ook curatoriaal is zij een stem van belang. Het tapijt waar de lastige kwesties van de afbakening tussen museale belangen en haar eigen commerciële belangen onder verdwenen is, leek me ergens geweven rond het aantreden van de nu zo alom bejubelde Kajsa Ollengren als opvolger van Carolien Gehrels. De wethouder die kunstenaars steevast ‘cultureel ondernemers’ noemt, zegt namelijk ‘onaangenaam verrast’ te zijn (ANP 17 oktober). Of die verrassing alleen voortkomt uit de hernieuwde aandacht, vertelt ze niet, want het lijkt toch wel erg onwaarschijnlijk dat ze hier niets van wist.

 

Het kwalijke aan deze zaak is dat het allang bekend was dat er ingewikkelde kanten zaten aan de bestuursstructuur van het Stedelijk. Zo wordt er ook al jaren bezwaar gemaakt tegen het feit dat het Stedelijk Museum Fonds voor een groot deel uit handelaars bestaat waardoor museale beslissingen ook invloed zouden kunnen hebben op de waarde van handelscollecties. Een ethische discussie over deze gecompliceerde problematiek lijkt hoognodig, maar de indruk die nu met veel bombarie gewekt wordt is dat Ruf iedereen om de tuin leidde, terwijl het me veel aannemelijker lijkt dat men haar zakelijke netwerk met veel egards heeft gefaciliteerd omdat men dat in het belang van het museum, de collectie en de stad achtte.

Natuurlijk valt er een goede boom op te zetten over de kunstwereld die gigantische sommen verdient over de ruggen van publiek gefinancierde musea, maar dat Ruf hier ineens het middelpunt van is geworden, lijkt buitengewoon ongelukkig. Amsterdam had met Ruf een directeur die het Stedelijk van een internationaal profiel voorzag en hoewel er over de artistieke koers natuurlijk altijd discussie mogelijk is, lijkt me het een vergissing dat we Ruf nu op deze knullige en hypocriete manier tot symbool te maken van het opportunisme van een veel grotere groep belanghebbenden.

De twijfelachtige ethiek van homeopathie

(foto: Ashley Vincent)
Hoewel Rosanne Hertzberger in haar column van 30 september (‘Homeopathie in zijn geheel bij het vuil te zetten is zonde en contraproductief’)aangeeft dat zij ook wel inziet dat homeopathie en andere kwakzalverij hun oorsprong vinden in bedrog of in misinformatie, pleit zij er toch voor dat artsen patiënten zouden moeten doorverwijzen naar deze ‘alternatieve behandelaars’ omdat we de placebowerking van deze nepgeneesmiddelen serieus zouden moeten nemen.
Hertzberger lijkt zich te vergissen in het werkingsmechanisme van een placebo. Het blijkt inderdaad uit gedegen onderzoek dat bij aspecifieke klachten zoals hoofdpijn of moeheid waarvan de oorzaak na medisch onderzoek niet goed is aan te wijzen, blijkt dat het innemen van een nepmiddel kan leiden tot een kleine, maar significante vermindering van de subjectieve ervaring van deze klachten. Patiënten geven dan mondeling aan, na inname van wat later zal blijken een nepmiddel, bijvoorbeeld minder hoofdpijn of moeheid te ervaren. In onderzoek waarin het meten van verbetering plaatsvond met een objectieve test, zoals bijvoorbeeld een bloeddrukmeting, blijkt er geen placebo effect op te treden.
Nu is het isoleren van het effect van het innemen van het middel alleen zelf ten opzichte van andere factoren extreem lastig. Zo blijkt bijvoorbeeld dat er ook een placebo effect uitgaat van de uitgebreide monitoring die met een dergelijk wetenschappelijk onderzoek gepaard gaat en zo zijn er nog veel omgevingsfactoren die een rol kunnen spelen in het resultaat.
Zelfs als we er voor het gemak even vanuit gaan dat het positieve effect afkomstig is van de inname van het nepmiddel, dan is gebleken dat als de patiënt weet dat hij/zij een middel krijgt toegediend dat geen werkzaam effect heeft, de placebowerking wegvalt. Het geloof in het middel, is in tegenstelling tot het anekdotisch bewijs dat Hertzberger aanhaalt, wel degelijk essentieel voor de werking (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitgebreide analyses op de gerenommeerde website sciencebasedmedicine.org)
Voor een succesvolle behandeling met een placebo is het dus belangrijk dat de patiënt gelooft dat de behandeling werkt. Dat we niet van artsen kunnen vragen om te liegen tegen patiënten ziet Hertzberger ook wel in en daarom zouden zij moeten doorverwijzen naar kwakzalvers. Zij lijkt hiermee een twijfelachtig ethisch verschil te suggereren tussen de arts die direct liegt tegen een patiënt of de arts die doorverwijst naar iemand die het liegen overneemt. Of de kwakzalver zelf gelooft in de werkzaamheid van zijn/haar handelen, doet er wat dat betreft niet toe, want de arts kan de patiënt niet volledig en juist informeren omdat de behandeling anders zo goed als zinloos zou zijn.
Waarom Hertzberger het beperken van alternatieve geneeswijzen paternalistisch vindt, maar tegelijkertijd artsen wil aanmoedigen om hun machtspositie te misbruiken om patiënten voor eigen bestwil illusies voor te spiegelen, is een raadsel. Dat ze patiënten hiermee grond biedt voor een gemotiveerd wantrouwen tegen artsen en daarmee het risico op niet of laat behandelen van ernstige ziekten vergroot, lijkt me precies de reden waarom we het advies van de EASAC serieus moeten nemen en homeopathie en andere kwakzalverij ernstig zouden moeten beperken of verbieden.